UITGEPUT

‘Een spiegelkarper.’ Hij geeft de foto weer terug en ik kijk er nog eens naar. In het midden van de foto staat hij tot zijn middel in het water met een joekel van vis in zijn armen. Trots als een pauw. Als een vis in het water. Ik staar nog een tijdje naar de foto, maar weet eigenlijk niet wat ik moet zeggen. Ik vind het gewoon een ontstellend lelijk beest. Onbegrijpelijk dat iemand dagen op zo’n glibbergedrocht kan jagen en er daarna nog eens weken over kan praten, lezen en schrijven.

Ik laat niets blijken, maar zoek naarstig naar woorden om hem niet teleur te stellen. Verdorie! Als een kind mij met grote ogen van trots aankijkt en zijn eerste vingerverftekening laat zien, die in het midden inzakt doordat de kleine knaap iets te gretig met het gekleurde spul is omgesprongen, dan heb ik geen enkele moeite om hem de hemel in te prijzen. Terwijl ik dan ook echt minutenlang naar de donkerbruine kliedermassa blijf kijken.

Nu staar ik al een paar minuten naar een gelige, rooddoorlopen kliedermassa, in de armen van een prachtman…

‘Hoe komt hij aan die putten in zijn lijf? Is hij gewond?’ Ik wijs een paar donkere plekken op de zij van de spiegelkarper aan. Hij lacht. ‘Dat zijn geen putten, dat zijn schubben.’

‘Schubben? Maar dan heeft hij er maar drie!’

Hij loopt naar de keuken en ik bekijk de foto opnieuw. Schubben dus. Voor mij blijven het kuiltjes.

Ik stel me ineens voor dat k die karper ben. Hij, met ontbloot bovenlijf, tot zijn middel in dat meer met mij in zijn armen. Me niet hoeven druk te maken over mijn lijf; de putten in mijn billen en bovenbenen ziet hij als schubben. De kuiltjes in mijn wangen waarschijnlijk ook, maar dat mag de pret niet drukken.

Ik glimlach om deze idiote fantasie en schrik op als hij me de koffie aanreikt.

‘Mooi h, die spiegelkarper? Je hebt nog mooiere, hoor. Die hebben helemaal geen schubben. Ik heb nog ergens wel een foto liggen van zo’n gladde. Of, om jouw woorden te misbruiken: zo’n putloze.’

Pats! Die fantasie kan ik nu wel op mijn buik schrijven. Mijn blubberbuik. Morgen toch maar weer aan de drie b’s werken: billen, buik en bovenbenen.

Ik voel me ineens verschrikkelijk moe.

‘Ik hoef die putloze niet te zien. Deze vind ik al glad genoeg.’
                                                                                                                            Auteur: Helmi van der Helm.